Les 1000 mots les plus communs en français
Uit ONCfransWiki
Hier komen dit jaar de 1000 meest voorkomende woorden in het Frans te staan. Deze woorden komen zo vaak voor, dat het erg handig is als je deze kent, dus ga je ze dit schooljaar allemaal leren!
De vertalingen staan er niet bij, die zullen jullie zelf moeten opzoeken (en op de wiki moeten zetten). Iedereen komt een paar keer aan de beurt om de vertalingen in te vullen, en aan het eind van het jaar krijgen jullie een toets over alle woorden.
Bonne chance!
Inhoud |
1-100
1-20
à: naar, in, op, bij...
abeille: bij
aboyer: blaffen
abri: bushalte, schuilplek
accord: akkoord
accordéon: accordeon
accrocher: naderen
acheter: kopen
acrobate: acrobaat
adresse: adres
affiche: poster, affiche
agent: (politie)agent
agneau: lam(metje)
ah: ah, ow
aide: hulp
aider: helpen
aile: vleugel
aimer: houden van
ainsi: op die manier, zo
air: lucht
21-40
ajouter: toevoegen
allée: laan, pad
aller: gaan
allô: hallo (aan de telefoon)
allumette: lucifer
allure: gang, gedrag
alors: dan, toen, dus
ami: vriend
amuser: vermaken
an: jaar
âne: ezel
animal: dier
anneau: ring
année: jaar
anniversaire: verjaardag
appareil: apparaat
appeler: noemen, roepen
appétit: eetlust, verlangen
appliquer: aanbrengen, toepassen
apporter: (mee)brengen
41-60
apprendre: leren
approcher: naderen, dichterbij brengen
après: na
après-midi: middag
araignée: spin
arbre: boom
argent: geld, zilver
armoire: kast
arrêter: tegenhouden, stoppen
arrière: achter
arrivée: aankomst
arriver: aankomen
as: aas
assez: genoeg
assiette: bord
assis: gezeten, zittend
attendre: wachten
attention: aandacht
attrape: valstrik
attraper: vangen, pakken, grijpen
61-80
au: samentrekking à + le (naar + de/het)
au dessus: erop, erboven
aujourd'hui: vandaag
aussi: ook
aussitôt: dadelijk
autobus: bus
automne: herfst
autour: eromheen, rondom
autre: andere, anders, verschillend
autrefois: eertijds, vroeger
aux: samentrekking à + les (naar + de)
avaler: inslikken, opeten
avant: voor
avec: met
avion: vliegtuig
avoir: hebben
avril: april
bague: ring
baignoire: badkuip
bain: bad
81-100
bal: bal (dansfeest)
balai: bezem
balance: weegschaal
balcon: balkon
baleine: walvis
balle: bal
ballon: voetbal
banane: banaan
banc: (zit)bank
barbe: baard
bateau: boot
bâton: stok, staaf
battre: (ver)slaan
beau: mooi (m.ev.)
beaucoup: veel
bébé: baby
bec: snavel
bel: mooi (m.ev.klinker)
belle: mooi (vr.ev.)
berceau: wieg
101-200
101-110
besoin: behoefte
bête: beest, dier
bêtise: stommiteit, domheid
beurre: boter
bicyclette: fiets
bien: goed
bientôt: gauw, weldra, spoedig
bille: biljartbal, knikker
billet: briefje, biljet, kaartje
blanc: wit
111-120
blé: koren(veld), graan
bleu: blauw
blond: blond :)
bocal: stopfles, kom
boeuf: os, rund
boire: drinken
bois: hout, bos
boîte: doosje, kistje, trommeltje
bol: kom
bon: goed
